De aanvoer en de distributie van het kraantjeswater

Het net dat het water naar Brussel brengt heeft een lengte van ongeveer 500 kilometer. Het omvat drie belangrijke soorten installaties: aquaducten, feeders en reservoirs.

Aquaducten zijn de collectoren van vroeger. Het gaat om kunstwerken met vrije stroming, waarin het water gewoon de helling volgt tussen de plaats van herkomst en het eindpunt. De hellingsgraad situeert zich in de grootteorde van 15 tot 20 centimeter per kilometer.

De term feeders verwijst naar nieuwe leidingen in staal of (span)beton. Het water stroomt er onder druk. Feeders hebben het voordeel dat het water dat ze vervoeren veilig is voor insijpeling vanuit het terrein of het bodemoppervlak. Dat maakt de controle en het toezicht gemakkelijker. Nadeel is dan weer dat er pompen nodig zijn om het water onder druk te brengen en die pompen verbruiken energie.

Bij het begin- en eindpunt van de leidingen en ook onderweg bevindend zich reservoirs die het water opvangen en opslaan vooraleer het in het net terechtkomt.

Op het ogenblik dat het water in Brussel aankomt wordt het door een netwerk van bijna 2.300 kilometer aan leidingen tot bij uw kraantjes gebracht.

HYDROBRU besteedt elk jaar bijna 20.000.000 euro aan het onderhoud en de modernisering van haar net. Dankzij die investeren behoren de verliezen als gevolg van lekken in het netwerk tot de laagste van Europa en kan de waterdistributie voortdurend in de beste omstandigheden gegarandeerd worden.

Meer dan 600 000 woningen, goed voor 1,5 miljoen Brusselse inwoners, maar ook fabrieken, industrie, winkels, scholen, ziekenhuizen, openbare gebouwen, kantoren, stations en overheidsgebouwen zijn aangesloten op het waterdistributienet.

In Brussel wordt jaarlijks bijna 60 miljard liter water verdeeld.